De Leidse Tekenacademie

In of kort voor 1694 werd de Leidse Tekenacademie gesticht.De Leidse Tekenacademie was de tweede in zijn soort. In Den Haag was in 1656 de kunstenaarssociëteit Pictura ontstaan uit onvrede met de bestaande gilde structuur.
In 1682 besloten de leden van Pictura een academie op te zetten.Kunstenaars, die lid waren, konden ´s avonds tekenen naar model.
Als grondleggers voor de Leidse Tekenacademie kunnen Willem van Mieris, Carel de Moor en Jacob van Toorenvliet worden beschouwd. Willem van Mieris was de zoon van Frans van Mieris die een leerling was van de Leisde schilder Gerard Dou.
Willem van Mieris en Carel de Moor hebben lange tijd leiding gegeven aan de Leidse Tekenacademie en hebben door hun eigen roem de naamsbekendheid van de Tekenacademie vergroot.
In de loop van de 18de eeuw kwam hierin een verandering. In de stad Leiden waren minder beeldend kunstenaars beroepsmatig actief en dat had zijn weerslag op de Academie.Na 1750 nam het ledental af. De belangrijkste activiteit bestond uit tekenavonden op de Rijnsburgerpoort. Ook kunstenaars die de opleiding nog niet hadden voltooid konden aanwezig zijn bij deze tekenavonden.

Oprichting van Ars Aemula Naturae

In 1799 werd Ars Aemula Naturae (de kunst wedijvert met de natuur) opgericht.
In deze nieuwe vereniging konden kunstlievenden uit de betere standen samen met beroepskunstenaars zich theoretisch en praktisch aan de kunst wijden. De oprichting kwam tot stand op initiatief van twee beroepskunstenaars ( Abraham Delfos en Bartholomeus van den Broek) en zes notabele kunstliefhebbers waaronder drie professoren.
Op 8 juli 1799 vond de eerste vergadering plaats. Meerdere keren per week zou men bij elkaar komen om naar model en pleister te tekenen en onderlinge beschouwingen over beeldende kunst te houden. Vier keer per jaar werden er grote kunstbeschouwingen georganiseerd. Uit het volgende citaat uit de oprichtingsvergadering moge blijken dat er een einde moest komen aan het tijdperk van verval: " Koomt waardige kunstgenoten,laat ons ijverig zamenwerken, dat de kunst in ons Vaderland weder bloeije als voorheen!".
De universiteit gaf aan een jaarlijkse subsidie van f 500,-- die later wegens bezuinigingen weer werd ingetrokken.

19de eeuw:
David Pierre Humbert de Superville en Jacobus Ludovicus Cornet.

David Pierre Humbert de Superville werd geboren in 1770 als zoon van een portretschilder.
Hij bezocht de " Vrije Tekenacademie" in Den Haag.In 1812 werd Humbert die veel gereisd had aangesteld als docent bij Ars en in 1814 werd hij benoemd tot lector Italiaans en Frans aan de universiteit van Leiden. In 1822 kreeg hij de opdracht van de universiteit om een plan te ontwerpen voor de ordening en catalogisering van prenten uit de nalatenschap van de weduwe van verzamelaar Jean Theodore Royer.
Omdat Humbert niet alle werkzaamheden kon combineren heeft hij in 1823 zijn ontslag aangeboden als tekendocent. Hem werd verweten zijn plichten als docent te hebben verwaarloosd. Zijn werkzaamheden bij Ars hebben helaas weinig sporen achter gelaten.
Bekend is hij geworden als grondlegger en directeur van het Leidse prentenkabinet, als schrijver en kunstenaar.
Jacobus Ludovicus Cornet werd geboren in 1815 in leiden. Cornet kreeg enige bekendheid als historieschilder. Ook was hij geen onverdienstelijk tekenaar.en onder zijn leiding kwamen in het midden van de 19de eeuw de tekenlessen bij Ars weer tot bloei. De lessen verplaatsten zich naar de Pieterskerkgracht 9.Mr Johannes Kneppelhout ( " Klikspaan" stelde een deel van het woonhuis beschikbaar voor tekenlessen. Opnieuw ging het aan het eind van de 19de eeuw Cornet bergafwaarts met Ars. Cornet deed het voorstel een cursus elementair tekenonderwijs op te zetten maar dit voorstel werd verworpen.In 1878 trad Cornet af als directeur en leraar na 29 dienstjaren.]In 1878 werd de jonge George Hendrik Breitner als leraar aangesteld maar hij zou slechts een jaar in dienst blijven omdat zijn lessen " geen resultaat opleverden".

De twintigste eeuw:

On 1896 wordt er een nieuwe vereniging in Leiden opgericht: " de Kunst om de Kunst".
Deze vereniging streeft min of meer dezelfde doelstellingen na en wil enkele lokalen van Ars huten aan de Pieterskerkgracht.Het bestuur van Ars besluit om 2 lokalen te verhuren aan " Kunst om de Kunst". In het begin van de twintigste eeuw bevond de vereniging Ars zich opnieuw in een moeilijke situatie.Vooral professor J.P. Blok zette zich volledig in om ars te behouden. In 1913 schreef hij in het Leidse Jaarboekje een gedene studie over Ars en toen in 1923 de afbraak dreigde van het gebouw drong hij met klem in heyt bestuur en de gemeente erop aan te protesteren tegen de sloop van " de schoone gevel".Ok verzette hij zich tegen het plan om Ars op te heffen wegens een onvoldoende belangstelling en een gebrek aan leden.In de jaren 30 beschikt Ars over twee docenten: mevrouw Olga van Iterson-Knoepfle en de heer Goosen Egbert Bouwmeester.
Bouwmeester werd lid van de NSB en droeg tegelmatig vanaf 1938 een WA uniform. Hiermee dreigde Ars in nazi vaarwater te komen.. Ook mevrouw van Itterson- Knoepfe koos de zijde van de bezetter. Op 28 november 1940 schrijft Bouwmeester en brief aan de voorzitter de heer de Gelder, waarin hij eist dat " …vrijmetselaars en joden uit het bestuur verwijderd moeten worden, daar hij anders bij de gemeente geen subsidie voor Ars meer zal kunnen krijgen".
Het antwoord was kort maar krachtig: " het bestuur gaat er niet op in".
Hiermee beëindigden de werkzaamheden van het bestuur.
In de roman Kort Amerikaans beschrijft Jan Wolkers de heer Bouwmeester en zijn onderduiktijd in het Ars gebouw tijdens de Tweede wereldoorlog. In 1945 wordt Jan Wolkers aspirant lid van Ars dat in augustus 1945 nieuw leven wordt ingeblazen. De Haarlemse schilder Kees Verwey gaf vanaf 1946 op zaterdag middag les.In de jaren 50 schommelde het ledental tussen 40 en 50. De doelstelling van de vereniging werd verruimd tot de "bevordering van beeldende kunst" en niet langer werd slechts de teken en schilderkunst beoefent.
Tot 1963 vond de jaarlijkse ledententoonstelling van Ars plaats in de Lakenhal. Na een geschil van mening over de selectie van werken werden de ledententoonstellingen in het eigen gebouw gehouden.
Na de grondige renovatie in de jaren 80 en de herontdekking van het in de 17de beschilderde cassetten plafond is de vereniging Ars opnieuw tot bloei gekomen. De vereniging telt nu ruim 80 leden en wekelijks vinden ruim 400 cursisten hun weg naar het Ars gebouw om zich te bekwamen in de beeldende kunsten.